werk

Publieksbenadering – over wat het museum te geven heeft

Iedere week komen we bijeen in de kamer van directeur Benno Tempel, de leden van het Breed Museumoverleg (BMO). De groep bestaat uit de directie en een aantal hoofden van afdelingen. Samen bespreken we lopende en toekomstige museumzaken van allerlei aard.

Op een ochtend in 2016 was er een speciaal overleg. We zouden de resultaten doornemen van een onderzoek naar onze naamsbekendheid. En eenstemmig proberen te verwoorden wat ons museum speciaal maakt en waar ons streven op is gericht. In marketingtermen, we bogen ons over onze identiteit, visie en missie.

Tijdens deze sessie dreven mijn gedachten even af, er was me een stukje tekst te binnengeschoten dat ik als tiener had overgeschreven. In een schrift met zwart linnen omslag noteerde ik als vijftienjarige een uitspraak van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) die me interesseerde maar ook irriteerde. Vrij geciteerd:

‘Eenvoudige mensen zien graag iets gebeuren, ontwikkelde mensen willen iets ervaren, de waarlijk begaafden houden van denken.’

Johann Wolfgang von Goethe

Ik vermoed dat ik als puber hoopte ooit bij de derde groep te horen. Hoe het ook zij, ik ervoer in die uitspraak iets wáárs, zowel als iets onrechtvaardigs. De drie segmenten ‘zien gebeuren’, ‘ervaren’ en ‘denken’ vond ik als aanduiding van de behoeften van mensen op zich treffend. Tegelijk vond ik – vanuit het perspectief van míjn tijd en vorming – de voorstellingswijze van Goethe niet goed. Onjuist om mensen in te delen in van elkaar gescheiden groepen en het een als hoger dan het ander (met de suggestie van ‘beter’) voor te stellen. Waarbij het gesuggereerde hoogste stadium ‘denken’ zelfs niet op eigen kracht bereikt zou kunnen worden zonder zoiets als aangeboren ‘ware begaafdheid’. Ik vond toen ook al dat deze drie behoeften niemand vreemd zijn.

Goethe heeft zich waarschijnlijk laten inspireren door het dialectisch denken van vriend en filosoof Georg Hegel (1770-1831) dat indertijd veel invloed had. Hegel zag de werkelijkheid als een veranderingsproces waarin dat wat eerst komt steeds wordt opgeheven door het volgende, in de richting van een steeds diepere waarheid die ontdaan raakt van individuele kenmerken. Dat proces was volgens Hegel ook van toepassing op mensen die zich vanuit zintuigelijk bewustzijn, via zelfbewustzijn naar een universeler bewustzijn kunnen ontwikkelen. Zijn generatie en die erna was op allerlei terreinen geneigd om uit te gaan van trapsgewijze ontwikkeling naar ‘het betere en hogere’.

Hoe dan ook, ik heb Goethes uitspraak destijds overgeschreven en die was onverwachts in me opgekomen tijdens het werkoverleg over identiteit, visie en missie. Ik realiseerde me dat je als museum een rol kunt spelen in al deze drie bereiken. En dat we dat deels al deden, maar op dat moment nog niet op een bewuste manier. Kunstmusea zijn van oudsher sterk in het overdragen van kennis. Sinds een aantal jaren betrekken zij hun publiek vaker ook op andere manieren bij tentoonstellingen, met wisselend resultaat. Hoe beter overdacht je je richt op de behoeften van je publiek in relatie tot de kunst die wordt getoond – zonder daarvan ooit de intrinsieke waarde uit het oog te verliezen – des te overtuigender het resultaat en sterker de uitwerking, is mijn mening. En hoe meer waarde het museum heeft of kan krijgen in het leven van mensen. 

Model publieksbenadering

Na afloop van het werkoverleg werd mij gevraagd om mijn gedachten uit te werken en op papier te zetten. Dit heeft geresulteerd in een model voor publieksbenadering dat we sindsdien als toetssteen gebruiken in het museum, onder andere bij het denken over tentoonstellingen, over hoe deze te presenteren en te verrijken met publieksinformatie en activiteiten.

Het model gaat uit van drie behoeften van mensen, het verlangen naar: beleven, ervaren en begrijpen. Ieder mens draagt deze in zich. Naar gelang onder meer je persoonlijkheid, je vorming, scholing en eigen keuze, heb je misschien meer behoefte aan het een dan aan het ander. Ook de fase in je leven en de sociale context spelen een rol. Waar je behoefte aan hebt kan zelfs van dag tot dag verschillen naar gelang je gemoedstoestand, of het soort gelegenheid dat je aandoet en het doel waarmee.

Beleven

Onder ‘beleven’ schaar ik alles wat reuring veroorzaakt, een appel doet op je nieuwsgierigheid en je behoefte aan meedoen. Wanneer er een bronzen spin van Louise Bourgeois in onze museumvijver wordt getakeld, zullen er honderd procent zeker voorbijgangers blijven staan om te kijken. Er gebeurt immers iets dat je nooit eerder zag en dat prikkelt de nieuwsgierigheid. Je wilt het zien en meemaken, liefst samen met anderen en er later over kunnen vertellen.

Je kunt dit principe doortrekken naar alle museumactiviteiten waarbij je iets levendigs ziet gebeuren, iets buitengewoons meemaakt. Van het toekijken bij de restauratie van een schilderij, tot aan het bijwonen van een signeersessie van een beroemde fotograaf. Ook het selfiemoment bij een installatie van papieren Blauweregen op de tentoonstelling Monet en het kunnen aantrekken van een echt Chanel-jasje op een modetentoonstelling vallen onder ‘beleven’. Een kunstwerk kan op zichzelf ook zorgen voor een belevenis, denk bijvoorbeeld aan de Pindakaasvloer van Wim T. Schippers of For the Love of God – de met diamanten bezette schedel – van Damien Hirst. Bij al het bovenstaande is er sprake van een zekere sensatie die leidt tot ontspanning en enthousiaste opwinding – het gevoel iets speciaals te hebben meegemaakt.

Ervaren

Het middelste segment van het model bestaat uit een breed scala aan gevoelservaringen. Er wordt een stemming, emotie of vrije gedachte (bijvoorbeeld een associatie, herinnering of fantasie) opgeroepen. Het genieten van schoonheid valt binnen dit bereik, evenals zelfreflectie en het geïnspireerd raken om iets te creëren. Ook gevoelens met een spirituele of religieuze dimensie behoren tot dit domein. Verder denkend is het vooral de kunst zelf die dit teweegbrengt, al dan niet in wisselwerking met het tentoonstellingsontwerp, het licht en de uitstraling van het museumgebouw. Met de stijl en de inhoud van de teksten kan overigens ook worden gestuurd in de richting van gevoelservaringen. En dan is er nog de mogelijkheid van een complementaire kunstuiting. Denk aan een concert, een poëzievoordracht of dansvoorstelling op zaal te midden van de kunst. Bij dit alles ontstaat er een gevoel van vervuld zijn, je opgetild voelen uit het alledaagse.

Begrijpen

Aan de rechter kant van het model wordt in enkele steekwoorden de intellectuele werking toegelicht, het terrein waar musea van oudsher sterk in zijn. Kunstmusea verschaffen hun bezoekers graag informatie, een rol die hen als experts op het gebied van kunstgeschiedenis goed afgaat. Zij zetten hiertoe onder andere zaalteksten, audiotours en catalogi als middelen in, als ook rondleidingen, films en lezingen. Alle mensen zijn van nature leergierig en willen meer te weten komen over datgene wat zij zien. Kijkend naar een kunstwerk ontstaat er behoefte aan informatie over bijvoorbeeld de voorstelling en de betekenis ervan, over de context van het kunstwerk in tijd en plaats, zowel als over het oeuvre en het leven van de kunstenaar, of over de gebruikte techniek. Meer kennis kan leiden tot meer begrip en evengoed tot nieuwe vragen. Kritisch bevragen, in twijfel trekken en discussiëren behoren eveneens tot dit segment van het model. Het verstand wordt aan het werk gezet en met meer kennis dan voordien verlaat je het museum. Dat leidt tot een gevoel van competentie.

Kanttekeningen

Het is tijd voor enkele kanttekeningen. In ieder geval moet worden opgemerkt dat de deelgebieden in het model niet zo strikt gescheiden zijn als hier voorgesteld. Het een kan leiden tot het ander en met elkaar samengaan. Door iets te beleven – je ziet bijvoorbeeld hoe glasblazen in zijn werk gaat – wil je weten wat de samenstelling is van het materiaal. Ondertussen werkt de ervaring van de ‘magische’ ontstaanswijze van glas op je in. Beleven voert in dit voorbeeld naar ervaren en naar kennis. Het kan ook omgekeerd: door in een museum een rondleiding te volgen over glas, krijg je zin om een demonstratie glasblazen bij te wonen, iets wat je kennis vervolgens vanuit de praktijk zal verdiepen. Iedere ‘stapeling’ of volgorde van ‘beleven’, ‘ervaren’ en ‘begrijpen’ is mogelijk.

Publieksbenadering

Tot een jaar of vijftien geleden werd er in kunstmusea min of meer op één manier aan publieksbenadering gedaan. Met het op verschillende manieren bieden van achtergrondinformatie over de tentoongestelde kunstwerken werd vooral een appel gedaan op het verstand en de voorkennis van museumbezoekers. Dat gebeurt nog altijd en er is niets op tegen, in tegendeel. Maar er bestaan ook andere zinvolle, voor bezoekers aantrekkelijke mogelijkheden. Het verstand is niet de enige weg naar het genieten en ‘begrijpen’ van kunst. Door zelf een Chanel-jasje aan te trekken bij een modetentoonstelling leer je net zo goed over de typerende snit en stijl daarvan als door erover te lezen in een zaaltekst. Voor sommigen werkt dit zelfs beter. De sensatie van de beleving zal mensen waarschijnlijk langer bijblijven. Publieksbenadering met meer variatie en meer praktijkgerichte aspecten maakt museumbezoek ook nog eens toegankelijker voor minder ervaren museumbezoekers.

Of je nu een doorgewinterde museumbezoeker bent of niet, meestal komt men niet primair met het vooropgezette doel om te léren naar een museum. Mensen kiezen voor museumbezoek om er te kijken naar kunst en te genieten van schoonheid. Om gedachten en gevoelens in zichzelf toe te laten, waarbij het opdoen van kennis inderdaad van meerwaarde is voor het (leren) waarderen van kunstwerken, maar wel in die volgorde. Let maar eens op, je zult mensen vaker met stralende ogen horen zeggen: Ik hoúd zo van het werk van Monet”, dan “Ik vind het werk van Monet zo interessant” – terwijl ze het laatste vast ook zouden beamen. Daarnaast is museumbezoek een uitje waarin je even loskomt van de repeterende dingen uit het dagelijks leven en kunt ontspannen. Liefst samen met vrienden of familie, waarbij de tentoonstelling meteen een dankbaar gespreksonderwerp vormt.

Deze aspecten van museumbezoek zijn lang onderbelicht gebleven. Kunstmusea richten zich de laatste jaren echter meer óók op beleven en ervaren, mede onder invloed van beleidsprioriteiten vanuit de politiek om musea breder toegankelijk te maken. Met welk oogmerk en hoe weloverwogen zij dat doen kan ik niet te beoordelen. Dat er conceptueel dingen ‘mis’ kunnen gaan, ook naar het idee van het publiek en kunstcritici, weet ik wel. Dat je dat kunt voorkomen door weloverwogen te werk te gaan eveneens. Het is zaak om als museum goed te overdenken welke segmenten uit het model waardevol zijn om te activeren bij een bepaalde tentoonstelling en te beseffen met welk doel je dat doet. Vooral in relatie tot de kunst die je presenteert en de kunstinhoudelijke vertelling van de tentoonstelling. Wat is het verhaal dat je wilt overbrengen? Is er sprake van beeldvorming bij het publiek die aanvulling of correctie behoeft? Via welke weg kun je dat dan het best doen? Vervolgens overweeg je wat je precies aanbiedt; is dat de best mogelijke optie gezien het doel? Ook overweeg je op welke plek je het aanbiedt. Houd de balans tussen de aangesproken segmenten en de kunstinhoudelijke aspecten in de gaten.

Valkuilen 

Ieder segment biedt heel eigen mogelijkheden om mensen te verbinden met kunst en het museum, maar kent ook zijn valkuilen. Zet je te sterk en eenzijdig in op beleving, zonder aan andere segmenten recht te doen terwijl daaraan wel behoefte bestaat of de kunst daartoe aanleiding geeft, zal de kritiek terecht luiden dat het gebodene los totaal staat van de kunstinhoud. Dan ligt de kwalificatie ‘oppervlakkig entertainment’ op de loer.

Richt je je als kunstmuseum bij een tentoonstelling helemaal op ervaring en sfeer, bijvoorbeeld door te kiezen voor een uitgesproken tentoonstellingsontwerp zonder zaalteksten zou het verwijt kunnen luiden dat de tentoonstelling ongefundeerd en misschien zelfs zweverig overkwam. Kies je daarentegen uitsluitend voor uitgebreide zaalteksten waarin je veel specialistische vakkennis etaleert, kun je rekenen op kwalificaties als ‘hoogdrempelig’ en ‘elitair’. Mengvormen kunnen daarom goed werken. Wie bijvoorbeeld kiest voor een informatieve film als medium maakt gebruikt van het aantrekkelijke van beleving dan wel ervaring om kennis over te dragen.

Het is niet voor niets dat onze directeur Benno Tempel bij de tentoonstelling Mark Rothko in Kunstmuseum Den Haag (2013) voor evenwichtigheid koos en voorstelde om twee routes door de tentoonstelling aan te bieden: een kunstbeschouwelijke (gericht op ervaren) en een kunstinhoudelijke (gericht op begrijpen). De abstracten van Mark Rothko hebben de naam mensen in vervoering te kunnen brengen, terwijl anderen een dergelijke meer emotionele benadering irriteert en zij zich bij voorkeur op een meer kunstinhoudelijke manier op zijn werk willen richten.

Bij de tentoonstelling Karel Appel in 2016 in Kunstmuseum Den Haag koos het toenmalige hoofd Tentoonstellingen Franz Kaiser voor het bieden van opvallend veel achtergrondinformatie over de kunstenaar. Dit om de beeldvorming bij veel Nederlanders van Karel Appel als schilder ‘die maar wat aanrommelde’ te ontkrachten. In dit geval zou de keuze voor bijvoorbeeld een workshop ‘wild met verf aan de slag’ een averechts effect hebben gehad op onze doelstelling het publiek te doen inzien dat Karel Appel wel degelijk welbewust te werk ging tijdens het schilderen. Hier was de weg via het verstand de juiste.

Ook de plaats en context zijn belangrijk om in de overwegingen te betrekken. Dansen op boogiewoogie-muziek naar aanleiding van Piet Mondriaans Victory Boogie Woogie is grappig in Wonderkamers, onze tentoonstellingsvleugel voor families, maar je moet er niet aan denken om permanent een dansvloer te installeren onder het authentieke kunstwerk. De beleving zou de ervaring van het kunstwerk in dat geval totaal in de weg zitten en zelfs de integriteit van het kunstwerk kunnen aantasten. Terwijl het dansen juist goed goed werkt in Wonderkamers waar vanuit meer recreatieve doelstellingen ‘beleving’ de ingang vormt voor het op een speelse manier overdragen van kennis.

Om vergelijkbare redenen hangt bij de tentoonstelling Monet – Tuinen van verbeelding een installatie van papieren Blauweregen-trossen (met sterke aantrekkingskracht voor selfie-liefhebbers) niet te midden van de schilderijen maar net buiten de zalen. Op die plek werkt deze installatie goed: na het bekijken van de tentoonstelling waarin een prominente rol is weggelegd voor de Blauweregenschilderijen van Monet krijg je als toegift de speelse beleving omringd te zijn door Blauweregentrossen.

Door ons als museum steeds meer van het belang van ‘beleven’, ‘ervaren’ en ‘begrijpen’ bewust van te zijn bij het ontwikkelen van programma’s en tentoonstellingen proberen wij naar beste kunnen vorm te geven aan respectievelijk een recreatieve, gevoelsmatige en intellectuele werking voor publiek. Door ons model publieksbenadering als toetssteen te gebruiken bij alles wat we doen, streven we ernaar als museum voor onze bezoekers ontspannend, betekenisvol en boeiend te zijn.

En toen ik in 2016 ten langen leste klaar was met het uitwerken van het model Publieksbenadering, inclusief PowerPointpresentatie aan de hand waarvan ik verschillende museumafdelingen zou informeren, zag ik plotsklaps in dat ik zonder het te beseffen het pedagogische model ‘hoofd, hart en handen’ van de Vrije School opnieuw had uitgevonden. Niets nieuws onder de zon.